Fictie
Terug naar fictie

Lamp en zon

fabel

Lamp was nog in een diepe slaap vertrokken, toen hij plots wakker schrok van een klein vonkje. Hij voelde een bekende kriebel aan het puntje van zijn stekkerdraad en kon zijn lach niet inhouden.  

“Hi, hi. Dat kietelt!”, grinnikte Lamp. Hij voelde een golf van energie door zijn draadje lopen. In één klap was Lamp klaarwakker. Hij opende zijn ogen en verwonderde zich over het prachtige licht dat zich uitstrekte over het hoogglanzende bureau. Terwijl zijn bolletje langzaamaan heerlijk warm werd, keek hij nieuwsgierig naar zijn baasje die plaatsnam aan het bureau. Het was vroeg in de ochtend en de rest van de kamer was nog pikkedonker.

De uren streken voorbij, maar Lamp bleef standvastig zijn licht schijnen. Er was geen moment dat Lamp bezweek aan moeheid of verveling.

“Er is niets of niemand die mooier kan schijnen dan ik,” zegt Lamp trots tegen zichzelf. “Ik sta altijd klaar als mijn baasje mij nodig heeft. Op mij kan je bouwen! Ik ben het licht in de duisternis en het gezelschap bij eenzaamheid. Ik ben onmisbaar en onvervangbaar!”

Lamp sprak net zijn laatste woorden uit, toen er plots een vreemd licht de kamer binnendrong. Een straal – ongekend, zo fel! Zijn al verhitte bolletje werd bedolven onder een warme deken van licht. Wat was deze heerlijkheid? Vanuit de verte hoorde Lamp iemand ronduit lachen.  

“Ha, ha, ha,” klonk een zware stem. “Wat een praatjes voor zo’n klein lampje! Jij bent zeker nog nooit verder geweest dan dat bureau van jou?”

“Wie zegt dat?” vraagt Lamp geïrriteerd. Hij bespeurt de kamer, maar ziet geen enkele andere lamp dan hijzelf. Dan ontdekt hij in het raamkozijn een vreemde bol.

“Ik ben Zon. De enige, de grootste en de mooiste in het hele zonnestelsel! Ik ben meer dan een miljoen keer zo groot als de aarde. Ik schijn zo fel en zo ver; ik schijn op alle planeten. Ik ben het middelpunt van alles dat bestaat!” zegt Zon.

Lamp gelooft er niks van en merkt op: “Je lijkt anders niet groter dan een knikker.”

“Dat komt, omdat ik heel ver weg sta. Mijn zonnestralen reiken verder dan jij je ooit kan voorstellen. Jij kan alleen tot aan de muren van de kamer kijken, maar ik overzie alles. Door mij kunnen bloemen, planten en bomen groeien en is al het andere leven mogelijk. Zonder mij, was ook jij er nooit geweest.” vertelt Zon hoogmoedig.

Lamp krabbelt even achter zijn kap. Al heel zijn bestaan dacht Lamp dat hij de enige, de grootste en de mooiste lichtbron was. Hij werd onzeker door het verhaal van Zon en was bang dat niets waar was van alles wat hij ooit geloofde.

“Maar,” probeerde Lamp voorzichtig, “heb jij dan ook zo’n mooie lange stekkerdraad? Zo ééntje die als een puzzel perfect in het stopcontact past en je energie geeft zo lang als je wil? Heb jij ook van dat zuinige led-licht, dat jarenlang mee kan en weinig energie verbruikt? Kan jouw baasje ook met een app verschillende lichtkleuren kiezen om prachtig mee te schijnen?”

Nu moest Zon zo hard lachen, dat hij bijna niet meer bijkwam. Zijn gelach brulde in oogverblindende stralen. Lamp kon zijn eigen licht bijna niet meer zien en voelde zich kleiner en kleiner worden.

“Jij, onwetend gebruiksvoorwerp! Ik schijn al meer dan vier miljard jaar zonder stekker of stopcontact. Mijn eindeloze licht en warmte maak ik helemaal zelf. Draadloos! Ik verbruik geen energie en zuiniger zal je het nergens anders treffen. Sommigen wekken zelfs energie op van mijn mooie stralen! Mijn licht kleurt de lucht roze, oranje, rood en soms paars. Als het regent, maak ik de mooiste regenbogen, in alle kleuren die er maar bestaan.”

Ademloos luisterde Lamp de hele dag naar de wonderlijke verhalen van Zon. Hij vertelde over zijn avonturen als grootste ster, over zijn ongelooflijke successen en over alles wat hij heeft zien gebeuren op aarde. Aan het einde van de dag was Lamp overtuigd: zijn bestaan was nietig vergeleken met dat van Zon. Zijn licht was kunstmatig en dus nep. Zijn wereld zal nooit groter worden dan deze plek op het bureau, met zijn stekker vast in de muur.

“Maar, eh, lampje, het is weer tijd om te gaan,” kondigt Zon aarzelend aan. “Het wordt zo weer avond en ik mag hier niet schijnen in de nacht. Ik zou niets liever willen dan met jou verder praten, mijn kleine vriend. Ik ben hier altijd zo alleen. Helaas moet ik zo de andere kant van de aardbol wakker maken en heb mijn opkomst nog niet voorbereid. Zie ik je morgen weer? Dat zou ik fijn vinden.”

Langzaam werd het weer donkerder in de kamer. Toch zag Lamp ineens alles helder. Misschien was Lamp niet de mooiste of grootste lichtbron, toch deed hij niets liever dan stralen voor zijn baasje. Wat moest Zon zich vaak alleen voelen, zo ver weg van iedereen. Lamp besefte: wie de beste, grootste en mooiste wil zijn, moet ook een eenzaam bestaan leiden.

Naar bovenTerug naar fictie